Croque-monsieur of tosti?
(10 september 2009)
Over het taalgebruik in Vlaanderen en Nederland...
Zoals we mensen en organisaties op basis van verschijning beoordelen, evalueren we ook - bewust of onbewust - hun taalgebruik in mondelinge en schriftelijke communicatie. Als we bijvoorbeeld mensen uit een andere regio van het taalgebied ontmoeten, kan sterk gekleurd taalgebruik niet alleen tot communicatiestoornissen leiden, maar ook tot een minder positieve houding tegenover de spreker.
Het is een alledaagse routine om mensen in te schatten op basis van hun taalgebruik. En daarbij is niets menselijks ons vreemd: uitspraken over iemands taalgebruik leiden wel eens tot uitspraken over de persoon zelf, en uitspraken over één lid van een groep monden gemakkelijk uit in uitspraken over de hele groep. In Vlaanderen circuleert bijvoorbeeld de opvatting dat Antwerpenaren arrogant zijn omdat ze in hun taalgebruik hun accent niet kunnen maar ook niet willen verbergen. Volgens een andere opvatting zouden Limburgers een beetje trager van begrip zijn omdat ze ook wat trager praten. Zo denken we ook graag in stereotypen over vreemde talen en de sprekers van die talen, hoewel we allemaal heel goed weten dat elke vogel anders gebekt is en veralgemeningen riskant zijn.
Hoewel het standaard Nederlands traditioneel als taalgids geldt, is het zeker niet zo dat elke Vlaming spontaan dit beoordelingspatroon deelt. Er is immers een groeiend bewustzijn dat de Vlaamse variant ook spraakmakend is. Factoren die daarin een rol spelen, zijn onder andere de politieke verzelfstandiging van Vlaanderen, de opkomst van de Vlaamse commerciële zenders en daarmee samenhangend ook de gedaalde populariteit van de Nederlandse tv- en radio-omroepen in Vlaanderen.
Woorden en uitdrukkingen die typisch zijn voor het taalgebruik in Vlaanderen hebben in de woordenboeken eigen labels, wat in de adviespraktijk meestal zoveel betekent als schrappen en vervangen door een variant die ook in het standaard Nederlands voorkomt. Zo wordt bijvoorbeeld dampkap vervangen door afzuigkap of wasemkap, en wegenwerken door wegwerkzaamheden.Woorden die alleen in Nederland voorkomen, worden doorgaans niet gelabeld, waardoor ze impliciet als norm voor het hele taalgebied beschouwd worden. Zo gebruikt in Vlaanderen iedereen het woord croque-monsieur. Het synoniem tosti hoor je in Vlaanderen nooit en is er ook weinig bekend, maar dat blijkt niet uit de woordenboeken.
Het belangrijkste verschilpunt tussen Vlaanderen en Nederland is dat Vlamingen het Nederlands niet beter of slechter beheersen, maar anders. Voor veel Vlamingen is de standaardtaal nog altijd een kostuum waarin ze het gevoel hebben niet helemaal zichzelf te zijn. Meestal heeft dat te maken met het feit dat veel Vlamingen van huis uit nog dialectspreker zijn of in een omgeving opgroeien of functioneren waarin standaardtaal, dialect en allerlei mengvormen daarvan door elkaar gesproken worden. Daardoor is de afstand tussen de standaardtaal als norm en het gebruik ervan in de gesproken taal soms erg groot, en die afstand is zeker niet zomaar te duiden door verschillen in sociale achtergrond of opleiding. Denk maar aan het soms grillige taalgebruik van toppolitici als Jean-Luc Dehaene en Herman De Croo. In hun optredens op radio en tv is het helemaal niet ongewoon om elementen te horen die niet in de standaardtaal thuishoren: vaneigens (vanzelf), ei zo na (bijna), daar kan ekik niks aan doen, da moete gij mij niet vragen, onafgezien van
Voor een Nederlander is het niet altijd goed te plaatsen waarom een Vlaming in zo'n formele context woorden gebruikt die hem of haar totaal vreemd zijn. Dikwijls is niet alleen de betekenis, maar ook de herkomst, de status en de bijbetekenis van die woorden niet duidelijk. Zo is de uitdrukking op zijn honger blijven (niet voldaan zijn, niet gekregen hebben wat men verlangd had) in Nederland zo goed als onbekend en voor de meeste Nederlanders ook niet duidelijk. Hoewel de uitdrukking in de taaladviesboeken negatief beoordeeld wordt, duikt deze letterlijke vertaling van de Franse uitdrukking rester sur sa faim in Vlaanderen vrij vaak op en is ze er ook vrij algemeen bekend.
Op grond van zulke verschillen mag je niet beweren dat de gemiddelde Vlaming het Nederlands minder goed zou beheersen dan de Nederlander, maar wel dat hij een problematischere relatie heeft met de standaardtaal en het normenstelsel dat ermee samenhangt. Als Vlamingen zichzelf vergelijken met Nederlanders, stellen ze meestal niet dat ze de standaardtaal minder goed beheersen. Een veelgehoorde uitspraak is wel dat Nederlanders veel vlotter en communicatiever zouden zijn. De ervaring leert echter dat Vlamingen even vlot en communicatief zijn als Nederlanders, maar dat ze zich om pragmatische redenen niet altijd aan de norm willen conformeren. Zo is het bijvoorbeeld in Vlaanderen niet ongewoon dat jongeren stellen dat ze de standaardtaal pur sang weinig of niet willen gebruiken omdat ze die in de meeste situaties als artificieel, pretentieus of niet functioneel ervaren.
Maar hoe is het dan te verklaren dat er Nederlanders zijn die de beheersing van het Nederlands in Vlaanderen hoger waarderen dan die van henzelf? Daarbij spelen twee belangrijke factoren een rol: de uitspraak en het woordgebruik. Dat zijn de twee aspecten waaraan een Nederlander een Vlaming herkent, en omgekeerd. De uitspraak van de standaardtaal is in Vlaanderen duidelijk anders dan in Nederland, en de Vlamingen hebben ook niet de behoefte om dat te veranderen. Vlaamse taalbeheersers ijveren er ook niet voor dat de Vlaamse standaarduitspraak zich conformeert aan de Nederlandse. Doorgaans wordt de uitspraak van de journalisten in de VRT-nieuwsuitzendingen en in andere informatieve uitzendingen van de openbare omroep als model beschouwd. Deze standaarduitspraak kan ook voor Nederlanders een modelfunctie hebben omdat die veel weg heeft van hoe er in de eerste helft van de vorige eeuw in Nederland werd gesproken.
Zo zijn de o- en de e-klank in bijvoorbeeld blote benen in Vlaanderen nog altijd zuivere enkele klinkers, en geen tweeklanken, zoals bij heel wat Nederlanders (blaute beine), en de g van geld is nog altijd stemhebbend en niet stemloos zoals de ch in lacht. Uiteraard kunnen zulke verschillen ook aanleiding zijn om de taalbeheersing van Vlamingen lager te waarderen omdat die minder aansluit bij recente ontwikkelingen in Nederland.
Hoewel het woordgebruik in de standaardtaal in Vlaanderen veel minder homogeen is dan in Nederland, is ook de woordkeuze van de Vlaming een aanleiding tot onderlinge verschillen. Zo wordt er wel eens beweerd dat Vlamingen minder vreemde woorden gebruiken dan Nederlanders, een opvatting die óók op een mythe berust. Klassieke voorbeelden als droogzwierder (centrifuge) en duimspijker (punaise) kunnen de indruk wekken dat Vlamingen minder vreemde woorden gebruiken, maar Vlaanderen importeert net als Nederland heel wat woorden uit andere talen. Meestal gaat het dan trouwens ook om precies dezelfde Engelse woorden.
Door de culturele verschillen liggen de verhoudingen alleen wel een beetje anders. Hoewel Vlaanderen politiek en cultureel hoe langer hoe meer een eigen koers vaart, is de invloed van het Frans nog altijd duidelijk merkbaar. Die invloed op het Nederlands in Vlaanderen is altijd veel sterker geweest dan de invloed van vreemde talen op het Nederlands in Nederland. De belangrijkste reden hiervan is dat het Frans tot een eind in de twintigste eeuw ook de taal was van de overheid en de rijkere klasse in Vlaanderen.
Het gevolg is dat er in Vlaanderen wel wat woorden circuleren die zijn ontstaan uit een puristische reflex tegenover het Frans. Denk bijvoorbeeld aan drukkingsgroep (pressiegroep), batterij (accu) en bestemmeling (geadresseerde). Veel van de woorden en uitdrukkingen die er op het eerste gezicht Nederlands uitzien, zijn eigenlijk gewoon verhuld Frans, bijvoorbeeld droogkuis (stomerij, in het Frans nettoyage a sec), het noorden verliezen (in de war zijn, in het Frans perdre le nord), rondpunt (rotonde, in het Frans rond-point) of een klacht neerleggen (een klacht indienen, in het Frans déposer une plainte). Zulke Vlaamse elementen kunnen voor een Nederlander aantrekkelijk zijn omdat ze een ‘sappig' of ‘smeuïg' karakter geven aan het Nederlands, maar ze kunnen evengoed verwerpelijk worden genoemd omdat ze niet aansluiten bij het eigen taalgebruik.
Er zijn objectieve redenen te geven waarom de taalbeheersing van Vlamingen of Nederlanders anders zijn. Wie alleen het taalgebruik uit het Noorden als norm voor iedereen stelt, negeert de taalgebruikers uit het Zuiden en veroordeelt zichzelf tot een paria van het Nederlands.
Gert Noppen
Terug naar het overzicht